Woordrelatievragen draaien om het herkennen van het verband tussen een woordpaar en het toepassen van datzelfde verband op een nieuw paar. Veelvoorkomende soorten verbanden zijn synoniem (groot/enorm), antoniem (warm/koud), deel en geheel (wiel/fiets), oorzaak en gevolg (regen/plassen), beroep en gereedschap (kok/mes), en categorie met voorbeeld (fruit/appel).
Een betrouwbare strategie is het maken van een kort, precies bruggetje in een zin: "een kok gebruikt een mes." Pas die exacte zin toe op de antwoordopties. Het paar waarbij de zin net zo logisch klopt, is meestal het juiste antwoord.
Pas op voor afleiders die oppervlakkig lijken op het goede antwoord maar een net iets ander verband hebben (bijvoorbeeld intensiteit in plaats van synoniem). Bij twijfel: maak het bruggetje zo specifiek mogelijk, dat filtert de meeste afleiders er vanzelf uit.
Klaar om het in de praktijk te brengen?