Letterreeksen werken volgens dezelfde logica als cijferreeksen, met het alfabet als getallenrij: A is 1 tot en met Z is 26. Zet de letters om in posities en de reeks wordt een cijferprobleem, namelijk een vaste sprong, een oplopende sprong, of een reeks die achteruit door het alfabet loopt.
Extra aandachtspunt is de richting: sommige reeksen lopen bewust terug (van Z naar A) in plaats van vooruit, en dat wordt makkelijk over het hoofd gezien onder tijdsdruk. Let daarnaast op afwisselende deelreeksen, waarbij bijvoorbeeld de oneven posities één patroon volgen en de even posities een ander.
Schrijf bij twijfel de posities boven de letters. Dat kost een paar seconden, maar voorkomt de meest gemaakte fout: een sprong verkeerd tellen omdat je het alfabet op gevoel doorloopt.
Klaar om het in de praktijk te brengen?